6 grote katvisfilets
1 ui
Creoolse kruiden naar smaak
Citroen
Peper en zout
Italiaanse dressing
Bereiding:
Zet de grill op lage temperatuur en houd deze tijdens de gehele bereidingstijd laag.
Maak als volgt pakketjes van aluminium folie:
Neem een stuk aluminiumfolie, leg alle bovengenoemde ingrediënten erin, vouw stevig dicht (zonder lucht binnenin). Leg ze op/onder de grill. Wanneer de pakketjes zichzelf opblazen, is de vis gaar. (Ca. 30 minuten.)
Je kunt eventueel pompoen, schijfjes aardappel (met schil) en/of courgette in plakjes toevoegen. Dan bedraagt de totale gaartijd ca. 45 minuten.Nog geen foto's.
Het besef dat je op de liefdesladder royaal eindigt onder iemands poes en slechts een klein stukje boven een geknuffelde kerstboom met kluit is een echte eye-opener. Ònder iemands huisdier. Ik ben een mens, godbetert!Het risico nemend dat ik heel dierminnend Nederland tegen me in het harnas jaag, verklaar ik hierbij een dierenliefhebster met strikte grenzen te zijn. Word ik bedreigd door hond of kat dan schroom ik niet liefdevol doch krachtig uit te halen met een gepuntlaarsde voet. Zelfverdediging. Punt uit.
In mijn ogen gerechtvaardigd, zeker sinds het recente gesprek tussen mijn minnaar en mij. Hieronder een beknopte samenvatting.
Ik vraag: ‘Houd je van me?’
‘Ja, ik houd van je, maar dat neemt je twijfel niet weg.’
‘Net zoveel als van je poes? Of meer?’
Die laatste toevoeging is achteraf beschouwd erg ijdel, een open deur voor hartzeer.
Mijn minnaar twijfelt alvorens hij antwoordt: ‘Dat is lastig, want Lars beschouw ik als een zoon, het is nogal wat om daarmee vergeleken te worden.’
(Verhip, een mannetje, dat wist ik niet eens.)
‘Is ook eigenlijk niet vergelijkbaar,’ vervolgt hij.
‘Het is wel maar een dier,’ stel ik.
‘Ja.’
‘Ik weet er nog een: een kerstboom met kluit?’
Vóór kerstmis heeft hij urenlang bomen geaaid uit empathie met sparren en dennen vanwege de jaarlijks terugkerende kerstgenocide.
‘Daar win je het van. Ruim.’
Dat valt mee. Wat ik heb met voedsel, heeft hij met bomen en planten: hij vindt het heerlijk ze aan te raken en eraan te ruiken.
‘Laat verder maar zitten,’ ik aarzel even, ‘het is toch allemaal te hoog gegrepen.’ Eerlijk bekend kan ik een tweede vernedering niet bolwerken.
‘Je bent onvergelijkbaar.’
‘Mooiprater,’ spot ik.
Maar dat was gisteren. Nu spoken zijn woorden door mijn hoofd. Ik sta lager in rangorde dan een kater. Voor een XL love-junkie als ik vormt deze onthulling gegronde reden voor een afkickpoging. De rollen moeten worden omgedraaid. Ik, nooddruftige junkie, moet terugkeren op aarde na een zweefvlucht tussen euforische, roze wolken en mijn dealer dient te worden gedrogeerd. Ze zijn echter zo lekker, de veelvuldige trips op mijn liefde en lust voor hem. ‘Basta!’ roep ik mezelf tot de orde. Vanaf nu gedraag ik me kattig, ik wil poeslevel bereiken.
Terwijl ik twee katjesdropjes in mijn mond mik, blader ik door een kookboek. Kookboeken zijn voor mij even onderhoudend als voor vele anderen lijvige romans, spannende thrillers of opwindende novellen. Ik beschouw ze als literaire culinaire erotiek. Wanneer ik niet lekker in mijn vel zit, ga ik voedsel bereiden. Zoals sommige mensen emo-eters zijn, ben ik een emo-voedselbereidster. Op zulke momenten voel ik sterke drang tot contact met voedsel in al zijn verschijningsvormen. Ik wil hakken, malen, larderen, marineren, braden, kortom ingrediënten omtoveren in culinaire hoogstandjes of gewoon dagelijkse kost tot ik erbij neerval.
Wat zal ik mijn dealer vanavond voorschotelen? Als voorgerecht haarballensoep? Als dessert poezenmousse? Kattentongen en tompouces? Wat eten poezen graag? Vis? Katvis…! Even een kattebelletje met menusuggesties maken.
Gefrustreerd breek ik het potlood doormidden en smijt woest de twee splinterende helften door de keuken.
Met eyeliner breng ik de finishing touch aan: kattenogen. Mijn haren heb ik in twee wilde knotjes gevangen, waardoor de suggestie van kattenoren wordt gewekt. Moet ik stijgen of dalen om poeslevel te bereiken?
Ik licht het deksel van de pan en roer in de poespas oftewel pish-pash: rijstsoep met brokjes vlees, in dit geval een blik Whiskas. Een eetlustopwekkend voorgerecht voor de ware kattenfan.
Mijn telefoon gaat. ‘Liefje!’
‘Dealer!’ reageer ik enthousiast.
‘Slecht nieuws, junkie, ik ben vanavond verhinderd.’
‘O?’
‘Lars is ziek, ik durf hem niet alleen te laten.’
Rustig blijven, diep inademen… goed zo, uitblazen, blazen?! Ik blaas als een kat, houd voor de zekerheid het spreekgedeelte van de telefoon met mijn hand afgedekt.
‘Wat mankeert hij?’ weet ik oprechte belangstelling veinzend uit te brengen. Getergd laat ik mijn nagels over het aanrechtblad krassen: ‘Piiiiiieeeeeeppp’. Een maagverkrampend geluid.
‘Schatje, ben jij dat?’ vraagt mijn minnaar verbaasd.
‘Ik verschoof wat spulletjes op het aanrecht,’ antwoord ik grimmig.
‘Hij heeft geen honger en voelt tamelijk warm aan. Ondanks de jaarlijkse inenting vrees ik voor de niesziekte of erger de kattenziekte.’
‘Zo, dat klinkt niet best. Vertoont hij nog meer symptomen?’
‘Voor de rest merk ik niets aan hem.’
‘Reageer je niet een beetje overdreven?’ vraag ik.
‘Ik neem liever het zekere voor het onzekere,’ zegt hij beslist, ‘vanavond houd ik een oogje in het zeil. Dadelijk schakel ik de telefoon uit om te voorkomen dat Lars door eventueel gerinkel wordt gewekt, dan weet je dat.’
‘Tuurlijk liefje, heel begrijpelijk,’ meesmuil ik en schop een kastdeurtje.
‘Hopelijk komen jullie de nacht goed door,’ besluit ik. Jaloers zie ik hen in gedachten opgekruld tegen de verwarming liggen terwijl mijn minnaar liefdevol het klamme zweet van de kattensnuit wist met een koel, vochtig doekje.
‘Tot morgen, ik houd van je!’
Ja vast, maar hoeveel? denk ik sarcastisch.
‘Ik ook van jou,’ roep ik welgemeend en neem een gigantische slok Gato Negro. Hier die fles rode wijn! Ik ga mijn teleurstelling verdrinken, verzuipen als een stel ongewenste kittens in een met stenen verzwaarde jutezak en wel in het park aan de overkant. Waarom zou ik alleen binnen blijven zitten? Ik trek een kort winterjack over mijn zwarte catsuit aan en trippel hooggehakt naar buiten met de fles wijn en een glas in mijn hand. In het voorbijgaan prop ik een handvol kattentongen in mijn jaszakken.
Het is half januari, kattentijd. Buiten bereikt kattengejank meteen mijn oren. Waar krolzieke vrouwtjes zijn, bevinden zich vast ook hitsige mannetjes, er wordt op me gewacht. Via het maanverlichte pad begeef ik me richting lokroep, Minette op weg naar haar lover.
Plotseling doemt een bankje voor me op. Ik neem plaats, schenk een glas wijn in - hetgeen niet meevalt in het halfdonker - en neem gulzig een slok. Dat doet een mens goed, verkwikkender dan een kattenborrel. Met mijn ogen gesloten zak ik een beetje onderuit. ‘Miaauuw!’ Kattinne verwacht jullie.
Ik grabbel in mijn zak op zoek naar een kattentong. Trippeltrip… voetkussentjes in de vochtige humus. Plotseling nadert een zwarte kater met lichtgevende groene ogen me, springt op mijn schoot en draait zijn kop een halve slag alvorens de aangegeten kattentong van mijn lippen over te nemen. Hij kijkt me onderwijl strak aan. Samen muizen we op deze manier enkele koekjes.
Terwijl zijn hypnotiserende blik op mijn netvlies verandert in pixels overvalt een ongekende loomheid me. Suffig zet ik mijn wijnglas op de grond, ik kan me niet herinneren ooit zo moe te zijn geweest, en dommel in.
Warme lippen op de mijne.
‘Schatje, wat doe je hier in het park?’ Mijn minnaar strijkt enkele verdwaalde haarslierten uit mijn gezicht.
‘Ik voelde me vreselijk eenzaam en zocht gezelschap.’ Ik druk mijn gezicht in zijn hals, snuffel en geef hem aanminnig kopjes.
‘Liefje toch! In het donker?’
Ik ontwijk een antwoord. ‘Hoe gaat het eigenlijk met Lars?’
‘Zijn levendigheid is terug. Ik heb een tijdje met hem tegen de verwarming gelegen, we spinnen namelijk altijd samen, dat heeft hem goed gedaan.’
Ik wist het wel! Ik wil óók samen spinnen en krols janken.
‘Gelukkig,’ reageer ik tam.
‘Ik durfde het risico wel aan om hem een uurtje alleen te laten, vandaar dat ik nu hier ben.’
‘Schatje, kus me,’ smeek ik met mijn gezicht in zijn kraag. Hij reageert onmiddellijk, zijn tong glijdt over mijn lippen, mijn tanden, mijn tandvlees. Ik sper mijn mond wijd open. Kom lieverd, het kattenluik staat open. Zijn tong voelt ruwer dan normaal. We kussen ongekend hartstochtelijk. Procreatie zonder daadwerkelijk te paren, puur en alleen via onze monden, een van de meest intense momenten uit onze relatie.
Terwijl hij zijn armen stevig om mij heen geslagen houdt, vraagt hij: ‘Wat kraakt er zo in je jaszakken?’
Ik lach, haal een kattentong tevoorschijn en steek hem tussen mijn lippen. Mijn love-dealer begrijpt de hint meteen. Van twee kanten tegelijk wordt het koekje verorberd. Zodra onze monden elkaar hebben bereikt kauwen en slikken we samen.
‘Wat denk je van een nachtelijke picknick? Dan haal ik de poespas,’ stel ik voor.
‘Jij met je wilde ideeën, vooruit dan maar,’ lacht hij toegeeflijk.
Lichtvoetig ren ik huiswaarts om even later terug te keren met de pan nog warme Whiskassoep. Zodra ik hem op de grond heb gezet, zakt mijn minnaar op zijn knieën en buigt zijn snuit over de pan. Hij kijkt me aan, een stilzwijgende uitnodiging hetzelfde te doen. Ik kniel tegenover hem, steek mijn billen in de lucht, samen likken we. Mijn innerlijke tijgerin ontwaakt: ‘Ik begeer je, mijn nubische kater,’ fluister ik krols.
Onze verschroeiende blikken versmelten, evenals onze lichamen, we raken in trance en bestijgen gezamenlijk de liefdesladder. Een symfonie van kattengejank begeleidt onze cohabitatie in het maanverlichte park.
Uren later open ik mijn ogen. Op mijn rug tussen dorre bladeren gelegen knipper ik tegen het verblindende zonlicht. Vlak naast me zit de kater. De fles wijn en het glas liggen in een cirkel van donkerrood gekleurd zand. Met één hand steunend op de bank sta ik op en klop mijn kleren af. Behalve bladeren en zand stuiven zwarte kattenharen in het rond. De knoopjes van mijn catsuit staan open en ik ontwaar een aantal krassen op mijn linkerborst. Vreemd. Het was een eigenaardige nacht. Ik voel me groggy. Waar is mijn minnaar gebleven?
Ik grabbel mijn spullen bijeen, zet de fles en het glas in de lege soeppan, en keer huiswaarts met de kater op mijn hielen. Terwijl ik de sleutel in het slot van de voordeur steek, hoor ik de telefoon overgaan. Eindelijk zwaait de deur open en ik ren naar binnen. ‘Goedemorgen junkie.’
‘Hallo dealer!’
‘Ik heb je gisteravond gemist, maar je begrijpt vast wel dat ik Lars niet alleen kon laten. Het gaat inmiddels stukken beter.’
‘Dat heb je me vannacht toch al verteld,’ reageer ik verbaasd en laat ondertussen mijn ogen over alle etenswaren op het aanrecht dwalen. De katvis ziet er niet aanlokkelijk uit.
‘Hoezo vannacht? Ik had de telefoon toch uitgeschakeld?’
‘In het park, bedoel ik,’ antwoord ik enigszins afwezig.
‘Ik kan je even niet volgen,’ verklaart mijn minnaar, ‘wanneer dan?’
Hartkriebel, ik staar wezenloos naar de telefoon in mijn handen terwijl de zwarte kater om mijn benen draait. Zijn staart streelt mijn kuiten. Abrupt verbreek ik de verbinding, druk mijn minnaar weg, en buk om de aanhankelijke kater te aaien. Als reactie likt hij met ruwe tong mijn hand, me onderwijl aankijkend met een alwetende blik. Ik krijg sterk de indruk dat ik vannacht poeslevel heb bereikt.